
De familie van de zeeslangen (Hydropiidae) vertoont de zelfde eigenschappen als die der koraalslangachtigen,
met daarnaast enige bijzonderheden die een aanpassing zijn aan hun milieu.
Staart zijdelings samengedrukt , tot een roeistaart omgevormd; ook de romp, vooral het achterste
deel, vaak zijdelings afgeplat. Schubbenkleed met een duidelijke tendens naar gelijkvormigheid;
bij de sterk gespecialiseerde zeebewoners ontbreken de breden buikschilden die zo kenmerkend zijn
voor de landslangen.
Het gehele lichaam is dan bedekt met schubben van dezelfde vorm. Uitwendige neusopeningen op de
bovenzijde van de kop gelegen en met een klepje te sluiten. Voor zover hebben de zeeslangen
zoutklieren in de kop, waarmee het teveel aan zout wordt uitgescheiden.
De familie Hydropiidae van de slangen, met circa 50 soorten voorkomen in de ondiepe zeegebieden en
riviermondingen langs de kusten van de Grote en de Indische Oceaan. De meeste zijn eierlevendbarend.
Worden vaak aangetroffen in de nabijheid van het strand. De wijfjes leggen daar ook hun eieren, op
of vlak onder het oppervlak van het zand.
De gewone platstaart (Laticauda laticaudata)heeft een opvallende tekening; zwarte dwarsringen,
afgewisseld met ongeveer even brede lichte zones, die op de rug hemelsblauw zijn, aan de buikzijde
geelachtig wit. Een enkel maal komen door vorming van halve ringen asymmetrische tekeningen voor.
Bij platstaarten staan de giftanden van de bovenkaak geheel vooraan.
Het voedsel, dat voornamelijk uit palingachtigen bestaat, wordt uitsluitend in het water gezocht.
Lengte tot 110 cm.
Hebben een kleiner verspreidingsgebied. Beide soorten komen op stranden tezamen voor, onderanderen
op enige koraaleilanden nabij Nieuw-Caledoniê.
De platstaarten en de meeste andere zeeslangen zijn zowel op het land als in het water veelal
vreedzame dieren, die praktisch nooit proberen te bijten, tenzij ze lastig worden gevallen.
Men dient ze voorzichtig te behandelen om een beet te voorkomen, want hun gif is bijzonder sterk
en levens gevaarlijk.
Lengte tot 150 cm.
Van de Rioe-Koei-eilanden, is alleen bij de jongen het ringenpatroon tamelijk contrastrijk; de
donkere ringen worden op de rug overigens steeds breder en laten maar een smalle tussenruimte vrij.
Oudere dieren verliezen deze tekening en worden bijna egaal vuil geelbruin.
Bij hen is de bovenkaak zo ver naar achteren verplaatst, dat de gehemeltebeenderen ervoor uitsteken.
Giftanden staan bij deze zeeslangen achter de voorste gehemeltetanden.
Aan een leven in zee aangepaste zeeslangen zijn alle van ongeveer dezelfde vorm; de buikschilden
zijn sterk gereduceerd en zijn even groot als de schubben op de rest van de romp; ze zijn dan ook
niet meer als buikschilden te herkennen. De romp, en het achterste deel is zijdelings afgeplat.
Roerstaartslangen zijn levendbarend. Meestal twee tot zes volledige ontwikkelde jongen dieren zijn
bij de geboorte reeds half zo lang als het moeder dier.
De gewone (Hydrophis spiralis) is een van de grootste soorten; lengte tot 275 cm. De uit
donkeren dwarsringen verdwijnen vaak bij oudere dieren, zodat de dieren egaal vuil geelgroen worden.
Lengte tot 210 cm.
Komt voor aan de kusten van de Perzische Golf tot Japan en Nieuw Guinea, vooral aan mondingen van
grote rivieren. Daar vindt hij in het brakke water verschillende soorten vissen, het gif is uitermate werkzaam. De blauwbandzeeslang is geheel aangepast aan het leven in zee, hij gaat nooit aan land. Het lichaam is zijdelings afgeplat en de staart is vinvormig geworden voor de voortbeweging. Hij ademt lucht en kan wel 2 uur ondergedoken blijven. Zijn neusgaten zijn naar boven gericht en kunnen afgesloten worden door kussentjes die op de rand van de neusgaten zitten. De spieren van de romp zijn gedegenereerd en als het dier op het strand wordt geworpen, zakt hij hulpeloos in elkaar.
De verwante Hydrophis semperi; lengte tot 80 cm is de enige soort die in zoet water voor komt.
Leeft uitsluitend en alleen in het Taal-meer op de Filippijnen.
Andere Roerstaartzeeslangen mijden niet het brakke en zoete water, soms dringen ze door tot kilometers
ver in de bovenloop van de rivieren om aan voedsel te komen, maar keren altijd weer terug naar zee.
Lengte tot 100 cm.
De kleur is variabel; de meeste individuen zijn echter aan de bovenzijde zwart en aan onderzijde
geel, met een scherpe grens tussen beide kleurvelden op de vlanken. Deze zeeslang drijft in een
houding, enigszins omlaag hangende kop en staart, aan het wateroppervlak. Zo jagen ze op kleine
vissen. Als hij gestoord wordt duikt de zeeslang naar veilige diepten om na, uiterlijk, een
uur weer boven te komen om adem te halen.
Leef gebied van deze zeeslangen zijn de tropische en subtropische delen van de Indische en de
Stille Oceaan.
![]() |
![]() |
![]() |