Welkom op de Dierenrijk page


De Veluwe

In het hart van Gelderland ligt de Veluwe. De Veluwe is een van de grootste onverstoorde natuurgebieden in Noordwest-Europa (meer dan 5.000 vierkante kilometers) en is Nederlands oudste natuurgebied. Dit unieke landschap met bossen, heide en zandverstuivingen wordt bewoond door edelherten, damherten, reeën, wilde zwijnen en mouflons.




  • Edelhert: Cervus elaphus

    Voedsel: Bladeren, veldvruchten, kruiden, en gras.
    Schouderhoogte: 125 cm.
    Gewicht: 125 ä 135 kilo.
    Bronstijd: Half september tot half oktober.
    Edelherten komen in hoge maten voor op de Hoge Veluwe en leven het liefs in alle rust. En daarom zult u ze ook zelden te zien krijgen. Het regelmatige gewei is sterk vertakt en alleen de mannetjes hebben een gewei, elk jaar wordt het afgeworpen in februari-maart. De vacht is in de zomer roodbruin en 's winters grijsbruin.
    De mannetjes en de hinden zijn in de loop van het jaar gescheiden en tegen eind september begint de brons waarbij de mannetjes een harem vormen. Het burlen in de bronsttijd is een spectaculair gebeuren wat ver gaant te horen is.
    Na een draagtijd van acht maanden wordt het kalf geboren en gedurende twee maanden hebben de kalfjes een vlekkentekening.
    Een kudde van hindes met jongen noemt men een kaalwildroedel.

  • Damhert: Dama dama.

    Voedsel: Bladeren, boomknoppen en jonge scheuten, onkruid, kastanjes, paddestoelen of eikels.
    Een volwassen damhert kan 90 kilo wegen en heeft een schouderhoogte van ca. 90 cm. Een geit weegt hoogstens 50 kilo.
    Het damhert komt op verschillende plaatsen in ons land voor, te bewonderen bijvoorbeeld op de Veluwe, Kennemerduinen en andere plaatsen.
    Over het algemeen is de zomervacht roodbruin met witte vlekken, de wintervacht donkerder en grijzer met niet zoveel vlekken. De binnenkant van de poten en de spiegel zijn wit.
    In een roedel heeft een ouder wijfje de leiding, damherten vormen grotere roedels dan edelherten.
    Kenmerken van het mannelijk dier is het platte schoffelgewei en de vaak gestippelde rug.
    Het dier heeft goed ontwikkelde spieren en is zeer wendbaar.
    In oktober begint de bronsttijd en duurt een maand. Ook in deze periode wordt er onder de mannetjes veel gevochten en geburld. Dat burlen bij de damhert is minder luidruchtig als bij de edelherten. De geit heeft een draagtijd van acht maanden.

  • Ree: Capreolus capreolus.

    In de vroege ochtend en tegen de middag en in de avond laveien meestal de herten.
    Reeën zijn kieskeurig wat voedsel betreft en nemen alleen de beste kwaliteit tot zich. In de winter nemen ze genoegen met beukenootjes, paddestoelen, takjes en naalden, eikels en snoepen ook van landbouwgwassen zoals bieten, aardappelen en rogge.
    Deze elegante dieren hebben een gewicht van 14 tot 30 kilo, hoe vruchtbaarder de grond hoe zwaarder de reeën. In vergelijking met de edelhert is dit een klein, slank hert. Heeft een schouderhoogte van ongeveer 70 cm. De geiten (hindes) zijn iets kleiner dan de bokken. Meestal ziet men bokken met een gewei met hoogstens zes enden; soms acht. Zeer zelden hebben hindes een kleinblijvend gewei.
    In november en december zijn de bokken en geiten te onderscheiden, in dat seizoen hebben de bokken namelijk hun gewei al afgeworpen. En wordt ieder voorjaar opnieuw gevormd.
    Van beide geslachten is het zomerkleed roodbruin, en in de winter wordt de vacht meer grijsbruin.
    Opvallend is de 'spiegel' die rond het achterwerk bevindt. Bij gevaar waarschuwen de reeën elkaar door met hun achterwerk te seinen.
    In het voorjaar leven de oude reebokken solitair, tegen half juli tot half augustus is er de bronsttijd. De kalfjes worden rond eind mei, begin juni geboren. Oudere reegeiten krijgen soms twee ä drie jongen en de eerste maanden hebben de kalfjes een pels met een witte vlekkenpatroon, een perfecte schutkleur wanneer zij in de dekking liggen, die met de eerste veharing verdwijnt.
    Raak nooit een verloren reejong aan: uw 'lucht' zou zijn moeder voor altijd op afstand houden. Waarschuw de dichtsbijzijnde boswachter of politie.
    Gelukkig zijn deze gracieuze dieren op veel plaatsen in ons land te bewonderen. Reeën houden zich op in het hart van het woud of aan de rand, waar ze beschutting vinden onder een rijk en welig bladerdek of struikgewas en afgewisselend door open plekken van akkers en weiden.

  • Moeflon: Ovis musimon.

    De mouflon komt oorspronkelijk uit Sardinië en Corsica.
    Na de invoering in Europa hebben de mouflons zich met succes aangepast en er leven in Nederland enkele honderden op de Hoge Veluwe en Het Loo. Het is Europa's enige wilde schaap.
    Kenmerkend is de lichte vlek op de flanken, die 'zadel' wordt genoemd. In de zomer zijn de rammen roodbruinachtig; snuit, borst, buik, en binnenzijde van de poten zijn gedeeltelijk wit. Hun wintervacht is donkerbruin met hier en daar wat zwart. Ooien zij het hele jaar bruin met wat zwart en wit aan de poten. Een ooi heeft ook wel eens kleine horentjes, de horens van de rammen worden nooit afgeworpen en groeien door. De dieren hebben behoorlijke ruimte nodig om hun voedsel te zoeken en die bestaat hoofdzakelijk uit kruidachtige planten en grassen. De bronsttijd valt in november en december en de rammen houden gevechten om de ooien, en rammen de mannetjes op elkaar in. De dreunen zijn op grote afstand te horen.

  • Wild zwijn: Sus scrofa.

    In Nederland was het wilde zwijn uitgeroeid totdat prins Hendrik deze dieren kocht en uitzette op Het Loo. Het zijn typische bosdieren die leven op de Veluwe, in Limburg en Noord-Brabant.
    Wilde zwijnen of everzwijnen zijn omnivoren: Alleseters. Ze gaan meestal met de hele familie op zoek naar voedsel waarbij ze nogal wat schade aan kunnen richten. Een wild zwijn is te herkennen aan zijn omhoogstaande hoektanden waarbij ze zich goed kunnen verweren, die bij de beer 'geweren' of 'houwers' wordt genoemd. De zeug ( baggen ) heeft haakvormige hoektanden die zelden buiten de bek uitsteken. Hun reuk en gehoor zijn beide goed ontwikkeld, met hun oogjes kunnen ze niet goed zien. Een troep varkens heet een 'rotte' en bestaan uit zeugen, jonge beren en 'overlopers'( een of twee jaar oude dieren ). Oudere mannetjes heten keilers en leven liever solitair tot de bronsttijd aanbreekt, november tot januari, voegen de keilers zich bij de rotten. Er wordt dan onder de keilers behoorlijk gevochten en zijn geen vriendelijke minnaars voor de zeugen. Na ongeveer een draagtijd van vier maanden zal de zeug in een ondiepe kuil 1 tot 12 jongen ( biggen of frislingen ) werpen.
    Als de biggen net zijn geboren hebben ze een mooie geel/bruin gestreepte vacht. Na een maand of wat zijn de strepen van de jongen frislingen verdwenen en hebben de eenzelfde bruin/grijze vacht als hun ouders. Het zwartwild heeft nogal last van ongedierte en baden dan ook in modderpoelen.
    De opgedroogde modder waar de ongedierte in vast zitten wordt er aan een boom afgeschuurd.


  • Vos: V. vulpes.

    Mannetje vos: Rekel.
    Het is in ons land het grootste roofdier.
    De vacht is op de rug meestal oranjebruin, aan de buik bruingrijs en onder op de kop en hals wit. Het is een mooi beestje, vooral in zijn dikke wintervacht: oranjerood witte bef, witte punt aan de karakteristieke pluimstaart, zwarte oren en met zwarte sokjes aan.
    Iedere vos heeft een beperkt terein waarin hij rust en jaagt. Overdag houdt hij zich meestal gedekt maar als het donker wordt, sluipt hij van dekking, door greppels en droge sloten. Vossen hebben een uitgebreide menu. Ze eten hazen, konijnen, vogels, eieren, muisen, slakken, insekten en ook bessen en bramen, eigenlijk alles wat een kleinwild te bieden heeft.
    De paartijd ( roltijd ) begint zo rond december, januairi. Na een draagtijd van een aantal weken werpt de moeder ( moervos ) haar welpjes in een zelf uitgeholde hol of burcht. Het aantal welpjes kan varieren van vier tot acht en zijn zo groot als een mol, grijsachtig van kleur en blind. Na de zoogperiode van zo'n acht weken dragen beide ouders voedsel aan. Als de jongen en maand of vijf zijn staan ze op zichzelf.

  • Bever: Castor fiber.

    Het grootste knaagdier van Europa is de bever.
    In Nederland was de bever tot voor kort uitgestorven. Eind 1988 in de Brabantse Biesbosch werden er weer bevers uitgezet, omdat ze in ons land thuishoren. Ze zorgen voor afwisseling in het landschap en daar profiteren ook andere dieren en planten van. De bever is goed aangepast aan het leven in het water. De vacht is donkerbruin, met lange haren en daaronder een wollige onderlaag die het dier droog en warm houdt. De neus en de oren worden bij het duiken afgesloten en kan voor langere tijd onder water blijven. Met de platte geschubde staart gebruikt hij als roer bij het zwemmen en slaat er mee op het water om zijn soortgenoten te waarschuwen als er gevaar dreigt. Voor en achterpoten verschillen van elkaar; de voorpoten hebben vijf vingers met nagels en de achterpoten zijn groter met zwemvliezen tussen de tenen. Met hun grote scherpe voortanden knagen ze verschillende boomsoorten om dammen te bouwen. De burcht is gebouwd van op elkaar gestapelde takken, waartussen modder is aangebracht; de ingang ligt onderwater en heeft een perfecte sluizenstelsel die zowel natte en droge kamers en ventilatiekanalen kent. Hun voedsel bestaat uit wortelstokken van waterplanten en andere plantaardig voedsel zoals boombast. Bevers zijn echte vegetariërs en nachtdieren.
    Bij het fourageergedrag laat de bever wel eens sporen na, voor het aanleggen van een winter- voorraad, bij het omknagen van een boom wordt een zandlopervormige inkeping gemaakt. Er liggen rondom de boom vaak spaanders, pootafdrukken, sleepsporen van de platte staart en van meegesleepte takken. Als een vrouwtje volwassen is krijgt ze een maal per jaar 2 tot vier jongen die geboren worden in de burcht. De jongen worden niet alleen door de ouders opgevoed maar ook door hun oudere broertje(s) of zusje(s). Met een jaar of drie verlaat het jong het nest om elders een bestaan op te bouwen. De gemiddelde levensduur van een bever is 8 tot 15 jaar en kan een gewicht hebben van 15 tot 35 kg, totale lengte tussen 130 cm 140 cm.

  • Das: Meles meles.

    De das behoort tot de familie van de marterachtigen.
    Zo kwam in 1997 de das na tientallen jaren afwezigheid weer terug in de achterkoek, waar hij in de vijftige jaren door stroperij en jacht was uitgeroeid. Maar ook in Drenthe en in het Noord-Brabantse Nationaalpark de loonse en Drunense Duinen zijn de laatste jaren dassen uitgezet. Dassen worden nog altijd niet op hun plaats gehouden door hekken, zoals bijvoorbeeld herten en wilde zwijnen op de Veluwe.
    De das is met zijn lengte ongeveer 1 meter en zijn gewicht ligt tussen de 12 en 15 kilo en kan zo'n vijftien jaar oud worden. Opvallend is zijn zwart-witte koptekening en zwarte kraaloogjes. De vacht van de das heeft een grijsachtige kleur en is stug. Op de borst, buik en poten is de vacht dunner en zwart. Er zijn ook bruinachtige en gelige exemplaren. Zelden laten dassen zich zien omdat hun leven grotendeels afspeelt onder de grond. Onder de grond graven dassen met hun sterk gespierde voorpoten met grote klauwen hun burcht, een netwerk van gangen en en kamers en telt meerdere verdiepingen. Overal waar het heuvelachtig en voldoende begroeiing aanwezig is zal de das een burcht bouwen. Elk hol of kamer wordt bekleedt met droog gras, varens en mos en wordt dan ook regelmatig ververst omdat dassen schoon zijn op hun burcht. Op elke burcht woont een familie dassen, een mannetje en vrouwtje blijven hun leven lang samen. Maar in ons land komt het heel veel voor dat een van de twee wordt aangereden, door de verkeerssterfte is hun gemiddelde levensverwachting nog maar zo'n vijf jaar. 's Nachts speuren dassen naar voedsel, kevers, muizen, regenwormen, fruit, planten, en alle soorten graan. Zijn voedsel vergaat de das in houtwallen, heggen, beken, poelen, sloten en in het bos. Rondom februari maart werpen de vrouwtjes hun jongen (2 tot 3) in een speciale kraamkamer die bekleed is met droog gras, varens en mos. In het najaar als de jongen zelfstandig zijn zullen ze hun ouderlijke huis verlaten om elders een burcht te stichten.


  • Otter : Lutra lutra.

    Otters behoren tot de familie marterachtigen.
    De otter of visotter kwam heel vroeger in vrij grote aantallen in Nederland voor. Om zijn fraaie pels en door schade aan de visstand en fuiken die hij toebracht, werd er zo op hen gejaagd dat de otter bijna was uitgeroeid. In de jaren zestig was er een korte opleving van de otters maar de stand kreeg het weer zwaar te verduren door verstedelijking, verkeer, aantasting van natuur en milieu.
    De laatste otter werd in 1988 nabij het Friese Langweer overreden.
    Het is een echte zoetwaterbewoner, die zich voornamelijk, voedt met vis (dol op paling) en ongewervelde diertjes en vooral verblijft in rustige wateren met voldoende dekking langs de oevers. Danks zij een strikte bescherming neemt hij in Europa weer in aantal toe.
    Zie voor informatie en herintreding over deze pracht beestjes :  www.terugkeer.nl

  • Wezel : Mustela nivalis.
  • Hermelijn : Mustela erminea.
  • De wezel behoort tot de familie der marterachtigen, net als de hermelijn, de otter, de das, de bunzing en de boom- en steen-marter. Alleen de wezel en hermelijn komen in bijna elk landschapstype voor. In Nederland en Belgie is de wezel algemeen. Het is een 13 tot 24 cm lang roofdier (+ staart van 3 a 6 cm ), kleiner dan de verwante hermelijn.
    De wezel is zo klein dat hij muizen kan achtervolgen in hun eigen gangenstelsel. De rug van de wezel is bruin en de buik wit. Het is een actieve jager met een lang, lenig lichaam en met korte poten (soms witte voetjes). Om zijn omgeving te verkennen zit hij verticaal op de achterpoten; Kegelen genaamd. Bij het snelle verplaatsen springt hij vaak met gebogen rug. De vrouwtjes zijn over het algemeen kleiner dan de mannetjes.
    Wezels leven in verschillende biotopen, overal waar kleine knaagdieren voor komen en vergrijpen zich ook aan vogels, eieren en jong wild, kikkers. Ze hebben als vleeseters scherpe, grote hoektanden en knipkiezen. Ze bewonen graag oude holen van konijnen, muizen en ratten en zijn zowel overdag als 's nachts actief.
    Wanneer er voldoende voedsel voorhanden is kan een wijfje twee keer per jaar een nestje jongen grootbrengen. De draagtijd van een wijfje is ongeveer zes weken en ze werpt tussen de vijf tot zeven jongen.

    In tegenstelling tot de wezel, heeft het hermelijn wijfje een draagtijd van ongeveer tien weken en dan werpt ze vier tot acht naakte en blinde jongen.
    Uiterlijk lijkt de hermelijn veel op de wezel, maar is groter en zwaarder. Kan een lengte hebben tot 29 cm, staartlengte tussen 8 en 12 cm. Gewicht rond de 150 - 445 gr.
    Het zomerkleed van de hermelijn is bruin-beigebruin boven met wit of geel onder. In de winter heeft de hermelijn in Noord Europa een witte vacht. In alle gevallen is de staartpunt steeds zwart. Net zoals de wezel is de hermelijn dag en nacht actief en bewoont een groot aantal biotopen: van beboste terreinen en houtwallen, duinen tot polders. In vergelijking met de wezel houdt de hermelijn zich op in vochtiger terrein, zoals moerassen, en slootkanten. Onder boomwortels en in houtstapels, boomholtes en nisjes, oude ratten- en konijnenholen houd de hermelijn zich graag schuil en is goed in het opruimen van muizen (woelmuizen) en ratten. Ze doen zich ook te goed aan vogels of hun eieren, konijnen, soms ook hazen, die hij zoals het konijn, met een nekbeet doodt.
    De witte pels van de hermelijn, is reeds sinds de 4de eeuw in gebruik voor officiele kleding van Koningen en Koninginnen.




    Er komen in ons land drie soorten slangen voor: Ringslang, Adder, Gladde slang.

  • Ringslang :Natrix natrix .

    De ringslang is één van de drie slangensoorten die in Nederland voorkomt en is de grootste van de drie slangen met een lengte van 55 - 120 cm.. Achter de kop zit een gele ring, vandaar de naam. Daar ringslangen niet giftig zijn kon de slang met de blote hand probleemloos gevangen worden. Bij gevaar vertonen de rigslangen meestal een reeks opvallende gedragswijzen. Als men 'n vrij levende ringslang beetpakt, tongelt en sist hij eerst opgewonden, maakt zich plat, probeert zich te verweren door te doen alsof hij bijt, en scheidt stoffen uit zijn stinkklieren af, de darminhoud komt ook vaak naar buiten. Zij verspreiden een zeer vieze, naar muskus ruikende, stof af die alleen met veel moeite weer te verwijderen is van handen en kleding. Om de belager om de tuin te leiden houdt het dier zich dood uit zelfbescherming.
    Ringslangen zijn goede zwemmers en houden zich het liefst bij beken en plassen op. Als winterverblijf geeft hij de voorkeur aan composthopen, rotsspleten en dergelijke, als het maar bij water is. Ook in het warme seizoen houden ze zich vaak bij vermolde boomstobben op. Ringslang vrouwtjes leggen in juni zo’n 8-40 eieren. Deze worden op één plekje in de broeihoop gelegd of verspreid. De jongen zijn bij het uitkomen 15 a 18 cm lang en zijn meteen na de geboorte zelfstandig.
    Jonge ringslangen eten bijv, salamanderlarven, kikkervisjes. Volwassen ringslangen eten zonder moeite padden, groene kikkers, visjes, salamanders en soms woelmuizen.

  • Adder :Vipera berus .

    De adder is daarentegen wel giftig en houdt, evenals de andere slangen, een winterslaap.
    In ons land komen adders vooral voor in vochtige heidevegetaties met pijpestrovelden en vennen op veen- en zandgronden en in eikenhakhout of ruigtebosjes langs bosranden. Het wijfje wordt 80 cm, het mannetje 65 cm. De kleur varieert van licht bruin tot zwart met een soms onduidelijke donkere zigzagstreep op de rug. De naar achteren verbrede kop is duidelijk van de romp gescheiden. Boven op de kop is vaak een donkere V-, Y-, of een X-vormige figuur te onderscheiden. Paringen vinden plaats in april en begin mei. De Adder brengt haar jongen levend ter wereld, vrouwelijke adders kunnen daarom in de zomer regelmatig zonnend worden aangetroffen. Hierna gaan de dieren uit elkaar en brengen de rest van het jaar solitair door. De adder voedt zich met kleine gewervelde dieren, in hoofdzaak leeft hij van muizen, maar ook hagedissen, amfibieën, wormen en insecten.

  • Gladde slang :Coronella austriaca .

    De gladde slang heeft een lengte van ongeveer 75 cm. Hij komt voor op open plekken, op bosranden en aan de rand van het bos, grote droge heidevelden en kapvlaktes waar genoeg zon en schuilgelegenheid is. Het lichaam is bedekt met gladde, in rijen geplaatste schubben. Kenmerkend is de zwartbruine streep aan weerszijde van de tamelijke kleine kop; ogen klein met ronde pupillen.
    De beet is onschuldig, gifvrij en door de geringe afmeting van de tanden niet ernstig. Als men de gladde slang oppakt sist hij en maakt stootbewegingen met zijn kop, maar dat stelt allemaal niet zoveel voor. De slang komt in de loop van april uit zijn winterslaap, in mei vindt de paring plaats. Het vrouwtje is ovovivipaar en baart 11 tot 18 jongen, die bij hun geboorte 14 tot 20 cm lang zijn. Spoedig daarop vervellen de jongen; ze zijn dan bijzonder mooi: Staalblauw en glanzend.
    Jonge slangen voeden zich met kleine hazelwormen en hagedissen. Volwassennen verschalken muizen, woelmuizen, kikkers en zelfs af en toe andere slangen.





Het Nationale Park
De Hoge Veluwe


Mochten er op mijn homepage onverhoopt plaatjes copyright zitten,
meldt het me dan, en datgene wordt zo spoedig mogelijk verwijderd.
Gemaakt door Irene 2001-2002